AV '23 Amsterdam

atletiek en hardlopen

Artikelen

Voorpublicatie uit “Lopen doe je...”

Onderstaande tekst is een gedeelte uit hoofdstuk 3 van het boek dat medio augustus 2009 verschijnt bij uitgeverij het Boekenplan.


3. TYPOLOGIE VAN DE MARATHONLOPER: DE DSM-26M

Over herkenning bij uzelf en uw loopmaatjes

Loopvrienden bereiden zich gezamenlijk op een loopevenement voor. Ze leven er naar toe, ze dragen zorg voor goed ingelopen schoenen, ze volgen de weersvoorspellingen en ze puzzelen op het dragen van de meest passende kleding. Dan is er de loop. Een individuele prestatie wordt geleverd. Juist daarom willen loopvrienden nadien ervaringen uitwisselen. Zo leerde ik verschillende typen lopers kennen. Zeker onder de groep die naar New York zal gaan.

De psychiatrie heeft een bijbel: de ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’. Het betreft hier een lijvig boekwerk waarin een classificatie van de psychiatrische stoornissen is beschreven. In de boekenkast of in de bureaula van hulpverleners werkzaam in de geestelijke gezondheidzorg kan met grote zekerheid de aanwezigheid van de beknopte handleiding bij de diagnostische criteria van de DSM-IV worden voorspeld.

Heeft zo’n classificatiesysteem nut voor jezelf of jouw loopmaatjes? Voor hen die de marathon lopen: 42 kilometer en 195 meter of 26 Engelse mijlen: oordeel zelf tot welk type loper uzelf, uw loopvrienden of partner behoort met de onderstaande handleiding Diagnostiek van Soorten Marathonlopers: de DSM-26M.

- - - - - - -

Er zijn mensen die altijd ruim op tijd komen, mensen die meestal op tijd komen, en ten slotte mensen die zich altijd moeten haasten en toch te laat komen. Ze kunnen achtereenvolgens geclassificeerd worden met het ‘zekere voor het onzekere’ type of de angsthaas, het ‘pietje precies’ type of de technobever en het ‘nog even dit’ type of het stresskonijn. Ten slotte zijn er nog de ‘gecombineerde’ types.

 

De angsthaas.

Op de training gaat hij nooit voluit. Oefeningen die de kans op een blessure vergroten doet de angsthaas maar een beetje of helemaal niet. Wat doet de angsthaas als hij lijkt te twijfelen over het te volgen trainingsprogramma? Bijvoorbeeld tussen een duurloop of intervaltraining? Hij zegt: ik geloof dat ik vandaag een duurloopje ga doen. Iedereen in zijn omgeving weet dan dat zijn besluit vast staat.

Op de baan neemt de angsthaas meestal als eerste de koppositie van het groepje van zijn niveau. Zo weet hij zeker dat de trend voor de snelheid bij de intervaltraining gezet is. Omdat de angsthaas meestal alert is, kan hij de sprint venijnig inzetten. Dikwijls komt hij bij trainingen als eerste over de meet.

Als de angsthaas een blessure heeft, blijft hij meedoen aan duurlopen. Hij vreest voor verlies van zijn conditie. Echter, hij ziet af van deelname aan wedstrijden. Immers dan kan de blessure worden geforceerd. Het zekere wordt voor het onzekere genomen opdat niet onverwacht de loopbaan van dit type loper moet worden onderbroken of zelfs moet worden afgebroken.

Maar al te goed weet de angsthaas wat de begrippen positieve en negatieve split betekenen. Toch blijft de angsthaas hardleers. Hij blijft zijn kop in het zand steken. Om welke afstand het ook gaat, de angsthaas gaat steevast veel te snel van start. Op het tweede deel van het parcours wordt hij door andere lopers voorbij gelopen. Kortom, de angsthaas verschijnt op tijd aan de start, maar niet bij de finish.

Overigens betekent een positieve split dat het eerste deel van het parcours sneller dan het tweede deel wordt afgelegd. Bij een negatieve split is het omgekeerde het geval, hetgeen meestal een betere eindtijd oplevert.

Als de angsthaas de indruk heeft dat zijn positieve split niet door bekende lopers is opgevallen, zegt hij na de wedstrijd of recreatieloop tegen hen: “Het was maar een trainingsrondje. Volgende week of maand doe ik mee aan …”

Na het lopen neemt de angsthaas dikwijls geen douche. De geur van (angst)zweet geeft hem een vertrouwd gevoel.

 

- - - - - - -

 

 

Dennis Weijens, de snelste sprinter van AV '23

“En toch maak ik bij verspringen de meeste progressie”

AMSTERDAM – Dennis Weijens (22) start komende zondag tijdens de finale van de seniorencompetitie op de 100 meter, bij het verspringen en op de 4 x 400 meter. Op de koningsafstand is hij de snelste sprinter van AV '23 met een PR van 11.21 seconden. Maar tevreden is hij nog lang niet. “Mijn eerste doel is om onder de 11 seconden te lopen en m'n volgende om mee te doen aan het NK. De limiet daarvoor is 10.95. Daar ben ik nog een stuk van verwijderd. Ik zal er deze winter hard voor moeten trainen.”

Dennis heeft “geen idee” waarom hij dit jaar slechts minieme progressie heeft gemaakt, om precies te zijn éénhonderdste seconde. “Overigens met toestemming van Els van Noorduyn ben ik wel meer aan verspringen gaan doen, maar ik heb evenveel tijd aan de sprint besteed. Ik studeer er ook bij, maar dat deed ik vorig jaar ook al. Dus wat dat betreft is er niets veranderd.”

“Bij verspringen heb ik heel veel progressie gemaakt, van 6.36 meter twee jaar geleden tot 6.79 dit jaar (6 juli, Best). Dat is ruim 40 cm verder.” [Grappig is dat Sander Stok, onze kogelslingeraar en ook een zeer gewaardeerd bestuurslid, precies het PR verspringen van Dennis wist. Dat bewijst maar weer eens hoe hecht de technische groep onder Els is.] “Bij een instuif in Utrecht deed ik weer ‘ns mee met verspringen. Dat bleek heel goed te gaan. Ik verbeterde toen m'n PR met ruim 20 cm. Ik dacht: Er zit meer in. Dit moet ik vaker doen.”

“Het doel is om de 7 meter te halen. Ik zal de techniek beter onder de knie moeten krijgen. Bij verspringen hangt daar veel van af. Je moet vooral snelheid in afstand omzetten. Om te trainen vind ik verspringen niet zo leuk. Dat valt me tegen. Maar in een wedstrijd is het heel erg leuk. Je hebt meerdere pogingen. Daardoor kun je in een wedstrijd groeien. De 100 meter is maar één keer. Ik heb dan vaak het gevoel dat het harder had gekund.”

“Bij de Nederlandse Studentenkampioenschappen van vorig jaar liep ik in de serie 11.33, in de halve finale ietsje sneller en in de finale 11.22. M'n PR liep ik dit jaar in juni tijdens de Gouden Spike in Leiden. Tegen toppers lopen, zoals in Leiden, vind ik stimulerend. Ik vind het heel handig als voor me iemand loopt die ik kan inhalen. Op trainingen start ik bewust wel eens iets later zodat ik iedereen kan pakken. Maar Els vindt, en ze heeft gelijk, dat je bij de start meteen voor moet liggen.”

“Ik beschouw mezelf nog niet als een heel goeie sprinter. Ik vergelijk mezelf met de rest van Nederland. Op de ranglijst van de Atletiekunie met de snelste tijden sta ik geloof ik 65e. Bij ver is het iets beter. Daar behoor ik tot de beste 40. Daar is de top-10 haalbaar. Zodra je 7 meter springt, behoor je in Nederland tot de besten.”

“Of ik op de tv naar de Olympische Spelen heb gekeken? Zeker. Het is altijd goed om naar mooie voorbeelden te kijken. Op trainingskampen nemen we vaak een film op. Dan kijken we naderhand naar wat niet goed en wat wel goed was. Trainen en sporten doe ik met veel plezier. Ik train zes keer per week: vier keer 2 uur en twee keer anderhalf uur. Je moet verstandig leven. Dat kost me geen moeite. Els verbiedt ons niets. We mogen doen wat we willen. Maar als je fit op de training wilt zijn, moet je de vorige nacht niet tot zes uur in de disco blijven hangen.”

“AV '23 is voor mij de ideale omgeving. Absoluut. De technische groep is een heel leuke groep. Ik heb er veel vrienden. Ik ben bijna m'n hele leven al lid. Ik denk er absoluut niet aan om naar een andere vereniging over te stappen. Ik zou niemand weten die beter is dan Els.”
“Ik merk nooit van tevoren dat het die dag niet zal gaan. Vandaag (9/9) had ik een zware dag op school. [Dennis is 5e-jaars student industrieel ontwerpen aan de TU Delft.] Ik zat om half acht al in de trein en was pas om 7 uur weer thuis. Ik verwachtte dat het trainen niet goed zou gaan omdat ik wat moe was. Maar ik heb aan alles mee kunnen doen. Dat bewijst dat de vorm goed is. Dat moet ook want op zondag 21 september is de finale van de competitie. Wij willen promoveren!”



 

Interview Els van Noorduyn


Succestrainer Els van Noorduyn:

'Ik ben niet van het vrijblijvende'

AMSTERDAM – “Als atleet moet je de drive hebben om eruit te halen wat erin zit. Ik ben niet van het vrijblijvende”, zegt Els van Noorduyn, de AV '23-trainer achter de recente successen van Esther van der Lijcke (goud) en Brenda Baar (zilver) bij het NK-Indoor.

(Een uitspraak van Frits Wegenwijs, waarnemend voorzitter toen dit artikel geschreven werd: 'Dat zijn inderdaad fantastische prestaties. Het oogsten van Els is nu al begonnen!')

“Aan de interland tegen Engeland deden kortgeleden ook twee AV '23-ers mee. Vorig jaar hadden we bij de jeugd zeven podiumplaatsen en bij de senioren een derde en een tweede plaats. Opeens ging het supersnel."

"Sinds 2002 werk ik opnieuw bij AV '23. Het prestatieniveau van de club moet ik omhoog brengen en toppers moet ik zien te leveren. Op den duur moeten we overal AV '23-atleten tegenkomen. Vanuit mijn visie moesten we een eigen opleiding opzetten. De atleten in mijn technische groep zijn zelf ook actief als trainer. Daar geven ze hun ervaring en kennis door. Daarbij support ik hen gigantisch. Ik ben niet alleen hun trainer, maar vooral ook hun coach."

"Iemand die iets wil, is een eigenzinnig mens. Een gemiddeld persoon haalt het niet. Neem Sander Stok en Esther: zij hebben een heel andere uitstraling binnen de club en ook een gedrag dat daarbij past. Dat laatste is voor anderen wel even wennen. Esther heeft het nodig om de bak alleen te hebben. Daardoor is zij een voorbeeld voor anderen. Sporters hebben een voorbeeldrol nodig om te weten waarom ze alle arbeid moeten verrichten."

"Een atleet moet het zelf kunnen doen. Hij of zij moet het zonder mij kunnen. Esther en Sander zijn beiden alleen naar het buitenland geweest. Daar heerst een sfeer om te presteren. In Nederland vindt men het gemiddelde erg prettig. Het is hier mat; daar word je niet vrolijk van. Maar in het buitenland tonen de bezoekers respect en waardering voor de arbeid van de sporters. Daar klappen ze, zijn ze enthousiast. Dat kennen wij niet. Sander heeft net bij de Duitse bondscoach getraind. Hij moest de sfeer van wereldtoppers proeven. Dat werkt enorm stimulerend.”

Els van Noorduyn (“al 39 jaar 22”) was op het onderdeel kogelstoten finaliste tijdens de Olympische Spelen in Mexico 1968 en heeft zesde op de wereldranglijst gestaan. Ze heeft in Leipzig (toen nog DDR) bij de vermaarde hoogleraar Karl-Heinz Bauersfeld haar trainingsmethode geleerd, die is gericht op het verbeteren van de handelingssnelheid. Aan de Universiteit Utrecht is ze bij prof. dr. R.J. Simons bezig met een promotie-onderzoek over haar trainingsmethode.



 

Zeljko Obrenovic: favoriete afstand de 10 km

“Ik had nooit de tijden verwacht die ik nu loop”


Zeljko Obrenovic (32) verbaast met zijn tijden op de 10 km niet alleen zijn trainer Jan Mens en de andere lopers uit zijn groep, maar vooral zichzelf. “Dit jaar heb ik elke keer de 10 km onder de 36 minuten gelopen; mijn beste tijd is 35 minuten en 28 seconden. Dat is 2,5 tot 3 minuten sneller dan vorig jaar. Ik maak nog steeds progressie.”

Dat bleek dit voorjaar ook tijdens de Nescioloop. Zeljko deed vorig jaar 1.02.14 over de 15 km. Toen was het weliswaar de warmste aprildag sinds vele jaren. Dit jaar, onder bijna ideale omstandigheden, liep hij 6 minuten en 41 seconden sneller. “Dat was heel mooi.”

Toch staat Zeljko bekend om zijn bescheidenheid. Het verhaal gaat – maar pas op, het wordt door Jan Mens verspreid – dat hij tijdens een cross in Spaarndam vóór Kees Elsinga kon eindigen maar zich vlak voor de streep inhield. Zeljko wilde niet riskeren dat Kees hem niet mee terug naar Amsterdam wilde nemen. “Dat is een mythe”, zegt hijzelf. “Het was niet eens de laatste keer dat Kees voor mij eindigde. Bij de Beeckesteijn Cross was hij zo'n 30 seconden sneller! Kees, van wie ik veel leer, is nog steeds heel goed aan het lopen, hoor.”

Zeljko, die vanaf 1 januari 2006 in Nederland woont, liep daarvoor hooguit een jaar in zijn woonplaats Belgrado. “Ik was altijd al actief: dansen, fietsen, maar nooit te serieus. Ik heb één keer meegedaan aan een halve marathon in Belgrado. Dat werd iets binnen de 2 uur. Ik weet het niet meer precies. Dat was mijn motivatie om met trainingen te beginnen. Sindsdien loop ik meestal kortere afstanden.

Ik vond lopen leuk. Daarom wilde ik in een stad met een atletiekclub wonen, toen ik begin 2006 in Nederland een baan kreeg. Via internet heb ik AV '23 gevonden. Dat kwam wel goed uit. Ik woonde toen in Diemen en m'n werk was bij het Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI) aan de Kruislaan. Vanaf de baan was ik in vijf minuten op m'n werk en in vijf minuten in Diemen.

Een week na aankomst in Nederland ben ik met trainen begonnen. Jan Mens zocht mensen met Olympische kwaliteiten, hoorde ik. Dus ik ging eerst naar een recreantengroep. Daar was ik te snel voor. Toen ben ik naar de groep van Jan Mens overgestapt.

Bijna elke maand voel ik dat ik nog steeds progressie maak. Ik ben ook stabieler geworden. Vorig jaar schommelden m'n 10 km-tijden nog veel. Dat is nu voorbij. Nu blijf ik altijd onder de 36 minuten. Ik train vier keer per week; twee keer bij AV '23 en twee keer alleen of met Jacobine, waarbij ik in het weekeinde een lange duurloop doe.

Sinds maart woon ik in Park de Meer, de nieuwe wijk tussen de Middenweg en onze atletiekbaan. Dat is helemaal ideaal. Bovendien trouw ik deze zomer met Jacobine, een Nederlandse. We hebben elkaar in de dansschool leren kennen. Zaterdags lopen we samen; ze is een goede loper.

Ik ben niet zo ambitieus dat ik kampioen wil worden, maar ik wil wel het maximale eruit halen en records breken. Overigens is voor mij het sociale aspect bij AV '23 voor mij ministens zo belangrijk als de training. Ik kende niemand in Amsterdam, ik wilde mensen ontmoeten en Nederlands leren. Op mijn werk praat ik alleen maar Engels.

In Belgrado ben ik al begonnen met het leren van Nederlands. Vanaf de eerste dag dat ik Jacobine ken, praat ik Nederlands met haar. De boeken over Jip en Janneke zijn mijn favoriete Nederlandse literatuur. En uiteraard Pluk van de Petteflet. Ik heb bijna alles van Annie M.G. Schmidt en veel van Thea Beckmann gelezen. Ik lees en praat veel in het Nederlands, maar ik schrijf het nog niet goed.

Mijn achtergrond bestaat uit drie landen: Kroatië, Bosnië en Servië. Kortom, ik ben wat vroeger een Joegoslaaf werd genoemd. We hebben lang in Kroatië gewoond, maar zijn in 1995 naar Servië verhuisd. Nu heb ik de Servische nationaliteit. Kroaten, Bosniërs en Serviërs spreken in de praktijk dezelfde taal. Ik kom uit een dorp. Uit onze familie zijn maar weinig naar de universiteit gegaan.

In Belgrado heb ik informatica gestudeerd en ben ik in 2004 gepromoveerd. Begin 2006 kreeg ik een baan bij het CWI, een onafhankelijk instituut dat nauw met UvA en VU samenwerkt. Daar deed ik onderzoek naar de interactie tussen mensen en computers, maar ik ben ook gastdocent aan de VU. Vanaf augustus heb ik een nieuwe baan als universitair docent aan de Technische Universiteit Eindhoven. (Ter geruststelling: ik blijf wel in Amsterdam wonen.)

In Eindhoven zal ik verder onderzoek doen naar alternatieve manieren van interactie tussen mensen en computers. Daar zal ik ook onderwijs geven. Een groot deel van de studenten in ons vak komt uit het buitenland. Om die reden zal ik in het Engels college geven, zoals ik ook aan de VU doe. Engels is heel belangrijk in de wetenschap, bij Informatica zelfs dominant.

Mijn hobbies: naast atletiek zijn dat dansen en tekenen, wat ik ook in Belgrado al deed. In Belgrado kun je ook goed uitgaan. Het is een heel leuke stad. Op cultuurgebied is er veel te beleven, maar activiteiten zoals atletiek zijn minder populair dan hier. De laatste jaren wordt Belgrado meer een open stad. De wereld komt zogezegd naar Belgrado.

Of ik heimwee naar die stad heb? In principe ben ik gefocused op de plaats waar ik ben. Het probleem voor mij was dat ik me in Servië niet verder kon ontwikkelen. Ik kon er wel hoogleraar worden, maar er is weinig geld voor onderzoek. Dan stopt de ontwikkeling. Het CWI gaf me de kans om verder te gaan. Internationale contacten zijn heel belangrijk. Je moet daar zijn waar het gebeurt.

Meer over Zeljko's wetenschappelijke activiteiten op zijn homepage bij het CWI.
 


Pagina 1 van 3

Citius, altius, fortius

Interviews met of artikelen over de toppers van onze vereniging, zoals Chris Berger, de snelste man tussen de Olympische Spelen van 1932 en 1936, en Dennis Weijens, de snelste sprinter van nu; Zeljko Obrenovic en Ingrid Coster, snelle MiLa-lopers; Sander Stok, Esther van der Lijcke en Brenda Baar, toppers op de technische nummers, en Els van Noorduyn, trainer van deze wedstrijdgroep.

Columns: schrijfsels van leden, oudleden, ouders van leden, belangstellenden e.v.a..

Lopersvoer - informatie voor atleten op de midden- en lange afstanden, door Henk-Jan van de Meer.

Achtergrond bevat o.a. het blog van Rietje Dijkman, in 2005 door de WMA uitgeroepen tot Master van de Wereld, die vertelt over haar trainingen, voorbereiding op wedstrijden en haar blessures, en de verhalen van Alex Wijsman, lange-afstand snelwandelaar, die pas enthousiast wordt als de afstanden voorbij de 42 kilometer gaan.