Artikelen

Ik heb veel aan het joggen gehad

foto’s: Mart Bevelander

Ingrid Coster over haar chemoperiode
Volkomen onbevangen ging Ingrid Coster (50) vorig jaar januari naar de bus voor borstonderzoek. Drie jaar eerder was er immers niets ontdekt. Maar
ditmaal moest er nog een foto worden gemaakt. Ze kreeg een brief thuis dat ze naar de huisarts moest. Het was mis.
Besloten werd tot een operatie. Ze dacht met de borst eraf dat ze ermee klaar was. Maar er waren uitzaaiingen in de schildwachtklier. Ze moest wel aan de chemo. Volgens de chirurg zou ze nooit meer kunnen hardlopen. “Dat vond ik toen niet zo erg. Wat kon mij hardlopen schelen. Ik wilde alleen maar dat ik niet dood zou gaan.”
“Hoe ziek ik ook was, ik ben altijd mijn bed uitgekomen. Met m’n man John liep ik dan een rondje om het pakhuis waarin wij wonen. Dan was ik even buiten.” Ingrid moest zes chemokuren van drie weken ondergaan. Elke kuur duurde drie weken. De eerste week was ze dan erg ziek. Daarna krabbelde ze langzaam op en begon ze weer met joggen. “Ik heb er veel profijt van gehad dat ik dat kon doen. Anders zit die ziekte maar in je hoofd.”
“Later bleek dat ik best kon lopen. Het was maar de helft van wat ik kon doen voordat ik ziek werd, maar het was nog een hele hoop. Ik ben best nog vaak naar de trainingen van Bram Wassenaar gegaan. Hij heeft me altijd gestimuleerd. Als je klaar bent met chemo, uurt het nog een paar weken voordat dat spul uit je lichaam is. Toen zijn we met Fa en Remco naar het trainingskamp in Portugal gegaan. Ik wilde toch proberen of ik op het oude niveau kon terugkomen. We hebben ons daar aardig de blubber getraind. Ik wilde kijken hoe ik de halve in Egmond zou doen.
Dat was de opzet van het trainingskamp. M’n PR was 1.28. Met 1.33 was het niet meer wat het was, maar in m’n klasse was ik eerste. Dat was toch wel leuk.”
“Ik loop vanaf m’n 35e, toevallig de leeftijd waarop vrouwen masters worden. Daarvoor deed ik een beetje aan sport. Met m’n bedrijf deed ik toen mee aan de Grachtenloop. Ik ontdekte dat ik een goeie in hardlopen was. Omdat ik in niet veel dingen goed was, vond ik dat leuk. Ik won meteen een bekertje. Hartstikke gaaf.”
Eerst was ik lid bij Atos, waar ik lange tijd heb getraind. Toen kwam Bram Wassenaar als trainer. Door hem ben ik een jaar of vijf geleden lid van AV‘23 geworden. Bram is een heel goede trainer. ‘Ingrid, je krijgt net zoveel aandacht als Kamiel Maase.’ Als jij je best doet, is hij echt in je geïnteresseerd. Ik ga nog steeds met kleine stukjes vooruit. Lopen vind ik leuk. Het is ontspanning voor me. De geest raakt helemaal vrij. Ik ben dan
alleen maar met lopen bezig. Voor vrouwen die in dezelfde situatie terecht komen als ik, heb ik het volgende advies. Je hebt er baat bij als je in beweging blijft en als je de dingen blijft doen die je leuk vindt. De oncoloog zei: je moet voorzichtig zijn. Maar ik heb in die periode een heleboel aan het lopen gehad.”


Monte Gordo, Portugal

“Het Complexo Desportivo in Villa Real de Santo António omdat het in een heel mooi duingebied met bossen ligt en vlakbij het Monte Gordo-strand. Je hebt daar 12,5 km paden door de bossen terwijl het strand 20 km lang en 100 meter breed is. Er is ook een indoorbaan voor sprinters.
Er trainen ook toppers. Tegelijk met ons zat daar de Russische atletiektop, onder wie nogal wat medaillewinnaars. Dat was best wel leuk. De Algarve is in december de meest ideale plek qua temperatuur: overdag ongeveer 18 graden. John en ik komen er al een jaar of tien. Volgens mij was Elly van Hulst
de eerste die er naartoe ging. In december zitten er veel pensionado’s die er wandelen. De sporters lopen er ’s avonds nog krommer dan de oudjes.
We trainden er twee keer per dag, in totaal een uurtje of vier. Tussen de middag lagen we bij het zwembad. ’s Avonds aten we in het hotel. We hoefden dus geen boodschappen te doen. Bovendien zijn de prijzen heel redelijk. John en ik waren er vier weken. Daarvan kregen we één week gratis. De totale kosten met halfpension per persoon waren 800 euro.”
In Ingrids woonkamer prijkt een kastje dat uitpuilt van de medailles en bekers, gewonnen bij kampioenschappen op de weg en crosskampioenschappen.
 

Het NK kwam op het goede moment

foto's: Mart Bevelander

Kogelslingeraar Sander Stok hoort nu bij de grote mannen

''Ineens lukt het'', zegt Sander Stok over zijn worp van 50.68 m bij het kogelslingeren tijdens het NK in juni in het Olympisch Stadion. ''Je weet dat het erin zit. Maar waarom het bij het NK goed ging, weet ik niet. Ik doe nooit een echte wedstrijdvoorbereiding van een week of drie. Het NK kwam, denk ik, op het goede moment.''


Of Sander piekte op het juiste moment. In ieder geval werd hij vierde op het NK. En dat terwijl hij nog als negende met een afstand van 47.88 stond vermeld in het programmaboekje, dat de beste prestaties van de deelnemers op een rij had gezet. Terwijl zijn concurrenten zich op het NK met minder dan een meter verbeterden of zelfs hun PR niet haalden, verbeterde Sander zijn PR met maar liefst 2.90 m. Schrijver dezes, als vrijwilliger in het stadion, was getuige van de vreugde-uitbarsting van Sander. Zonder overdrijving: zijn kreet was tot op de AV'23-baan te horen.
Al tijdens de Nederlandse Studentenkampioenschappen, eind mei bij AV '23, had Sander van zich doen spreken. Bij het kogelstoten haalde hij een zesde plaats, bij het kogelslingeren won hij brons met bovengenoemde worp van 47.88 en bij het discuswerpen won hij zilver. ''Bij het NSK haal ik altijd PR's. Daar gaat het altijd goed.''

De grens van 50 meter

''Als je bij het kogelslingeren boven de 50 meter hebt gegooid, behoor je tot de grote mannen, tot de besten van Nederland. Bij het NK gooide ik die afstand. Anderen wilden dat ook, maar ik deed het. Daar schrokken ze van. Dit jaar ben ik vooruitgegaan van 42 meter (dan ben je eigenlijk niks) tot boven de 50. Dan kennen ze je ineens. Bij wedstrijden komen ze dan naar je toe. Nu hoor ik wel eens: 'Je bent lekker bezig'. Met zo'n afstand val je op. Dat is wel leuk om te merken.''
''Die acht meter vooruitgang is een gigantische sprong. Het laatste jaar gaat het de goede kant op. Ik zit nu in de lift. Ik weet dat ik nog verder kan. Ik kan bijvoorbeeld nog een draai extra maken. Weliswaar ben je dan eerder uit balans, maar je maakt wel meer snelheid. Techniek en kracht kunnen altijd beter, gewoon door te oefenen.”

“Kijken hoe ver ik kom”

“Ik vind atletieken gewoon leuk. En ik wil er wat mee bereiken. Ik wil later geen spijt krijgen dat ik het niet heb geprobeerd. Ik wil kijken hoe ver ik kom. Nu ik nog jong ben (24), heb ik de kans om topsport te bedrijven. Kijk, als het over twee jaar nog maar 55 meter is, dan weet ik dat er niet meer in zit. Maar zo ver is het nog lang niet.''
''Mijn ultieme droom is deelnemen aan internationale toernooien. Het hoogste is natuurlijk de Olympische Spelen, maar de kans daarop schat ik op één procent. Dan zou ik nog een gigantische stap vooruit moeten maken, maar de Spelen blijven mijn einddoel.''
''Realistischer is de eerste stap, namelijk om op de zogenaamde eeuwige meter van de dertig beste slingeraars van Nederland te komen. Dan moet ik zo'n 55 meter werpen. Het doel is een medaille op het NK en het liefst de titel.''
Niet alleen met sporten, ook met studeren is 2007 een succesvol jaar voor Sander. Hij heeft deze zomer zijn studie bedrijfswetenschappen afgerond. ''Ik ben nu hard op zoek naar een baan, maar die moet wel binnen mijn trainingsstructuur passen.''

Trainingsritme

''Per week geef ik 7,5 uur training. Daarnaast train ik zelf 28 tot 30 uur. In totaal ben ik zo'n 35 uur per week op de baan. Van september tot april train ik twaalf keer per week. In de zomer, afhankelijk van wedstrijden, negen tot elf keer. In oktober nemen we met de technische groep een pauze. Dan doen we andere dingen, voetballen, turnen en ik geloof dit jaar wielrennen op de baan. Zelf moet ik wel blijven trainen. Anders zakt m'n lichaam in. Zodra ik stop, komt het in de ruststand. In oktober doe ik een beetje aan werpen en krachttraining om mezelf op gang te houden. Ook op 1e Kerstdag en op Nieuwjaarsdag train ik als het volgens het schema moet.''
''Ik train volgens een vast ritme. Ik begin 's morgens tussen 9 en 11 uur. Bij de krachttraining begin ik wel om precies 9 uur omdat die tot 12 uur duurt. In de winter doe ik een half uur tot een uur langer. Ik doe alles hier bij AV'23. Dat is makkelijk. Ik wil graag zeggen dat mijn ouders mijn grootste sponsors zijn. Zonder hun steun zou ik het niet redden.''
”Krachttraining vind ik leuk. Daar hou ik van. Ik doe vijf oefeningen, die uit zestien series bestaan. Daarmee ben ik 2,5 uur bezig. Dat is de pyramide, waarbij het steeds iets zwaarder wordt. In de winter doe ik meer oefeningen. Dan trek ik ook nog wel eens gedurende zo'n tien minuten vier of vijf sprintjes. Soms schiet het niet op. Dan loop je maar te kloten.''
''De techniektrainingen zijn gevarieerder. Het kogelslingeren duurt wel langer. Dat kost veel energie. Ik heb ook maar een paar slingerkogels. Die moet je dan weer ophalen, plus dat je de gaten in het gras moet herstellen. Maar het voordeel is dat je dan je rustmoment hebt die je bij het kogelslingeren echt wel nodig hebt. De discus kun je wel tien tot vijftien keer achter elkaar werpen. Wil je bij het kogelslingeren twintig goede worpen maken, dan heb je heel veel kracht en energie nodig.''

“Nooit meten in de training”

''Ik zet altijd pilonnen om het veld af te zetten. Mijn ijkpunt is de polsstokbak. Maar ik weet niet precies hoe ver het is. Dat wil ik ook niet weten. Mijn trainster Els van Noorduyn zegt: 'Nooit meten in de training'. Als je dat wel doet, probeer je die afstand in de wedstrijd te halen. Dan ben je niet meer ontspannen bezig.''
''Tijdens de training heb ik altijd muziek op. Ik zap dan op de radio tot ik muziek heb gevonden die me ligt. Dan hoef ik niet te praten en dan hoef ik geen dingen te horen. Ook daarin heb je je ritme nodig. Ik wil niet dat mensen dan tegen me praten. Op sommige mensen komt die houding als onbeschoft over. Dan geef ik wel eens aan: tijdens de training niet, maar erna heb ik alle tijd.''
''Bij een training moet ik mezelf opladen om dingen voor elkaar te krijgen. Als ik sta te schreeuwen, komt m'n ziel los. Dat voelt lekkerder. Dat kost wel veel energie. Erna ben ik dan erg moe.''

Vanaf de mini’s en verder

''Ik doe al zeventien, achttien jaar aan atletiek, vanaf mijn zesde. Ik begon bij de mini's. Dat is ook de enige keer dat ik clubkampioen was. Ik heb het altijd gezellig en leuk gevonden. Van mijn groep zijn verder Theo, Joost, Bas en Daan bij elkaar gebleven. Van veel groepjes blijft er maar één over. Mensen houden op door andere interesses, een andere sport of de puberteit.''
''Toen onze groep de overstap naar de senioren kon maken, was daar geen hoofdtrainer. Toen zijn we als juniorengroep bij elkaar gebleven. En toen kwam Els. Voor mij is zij een heel goede trainer.''
''Als je een jaar of dertien, veertien bent, dus als junior D of C, weet je wat je leuk vindt en waar je goed in bent. Ik had geen talent voor andere onderdelen. Ik was niet snel genoeg, heb een hekel aan verspringen, kan een beetje hoogspringen en ik was niet goed in lange afstanden. Als atleet ga je daar verder waar je talenten liggen. Ik begon met kogel en speer, later kwam daar de discus bij en nog later het kogelslingeren.''
''Bewegen vind ik lekker. Dat zal ik altijd blijven doen. Ik houd niet van reizen. Ik ben eens drie weken op vakantie geweest. Na anderhalve week dacht ik: een beetje atletiek zou leuk zijn. Maar als backpacker heb je geen discus of kogel bij je.''

Materiaalman en bestuurslid

''Sinds in in 1998 trainer werd, woon ik de ledenvergaderingen bij. Op een gegeven moment was er geen materiaalman. Dat hebben Bas en ik toen overgenomen. Meestal wordt die functie door een werper uitgevoerd.''
''Behalve trainer en materiaalman ben ik ook bestuurslid. Ik zit als enige niet-loper in het bestuur. Die groep omvat wel tweederde van het aantal leden. Uit die hoek zouden best meer bestuursleden mogen komen.''
''AV '23 kent een heel grote ledengroei, maar er zijn te weinig jongeren die lang blijven en die trainer kunnen worden. Onze vereniging zit krap in de trainers. Als je een goede trainer wilt zijn, moet je zeker tien jaar aan atletiek hebben gedaan. Voor de pupillen kan minder ervaring nog wel, maar voor de junioren heb je meer kennis nodig.''
''Een probleem is het gebrek aan vrijwilligers. Bij de pupillen is de structuur inmiddels duidelijk, bij de junioren proberen we die nu op te zetten. Daar heb je mensen voor nodig. Verder heb je mensen nodig om wedstrijden te kunnen houden, bijvoorbeeld om te jureren. Wel hebben we nu een goed wedstrijdsecretariaat.''

Volgens de overlevering is kogelslingeren uitgevonden door de oude Grieken in ongeveer 1200 voor Christus. Het begon allemaal met Punius, die kwaad was op zijn vader omdat hij niet mee mocht doen aan de atletiekwedstrijd. Zijn vader vond hem nog te jong. Punius werd toen zo kwaad dat hij zijn vaders’ favoriete bal aan een touw bond en die begon rond te slingeren. Toen hij het touw losliet, vloog de bal een heel eind weg. De godin Athene had de worp gezien. Zij ging naar Punius en gaf hem een tip. Hij moest dit laten zien aan Kroton, de baas van het atletiekstadion in Olympia. Punius deed dit en Kroton zag er een nieuwe sport in.
De kogel bij de mannen is 7,26 kg zwaar (16 Engelse ponden), bij de vrouwen 4 kg. Kogelslingeren werd in 1900 (Olympische Spelen van Parijs) voor mannen ingevoerd en in 2000 (Sydney) voor vrouwen.

KNAU-Ranglijst aller tijden Kogelslingeren (bijgewerkt tot 13 juli 2007)
De eerste tien:
71.77 Ronald Gram Leiden Atl., Nijm. 10-07-02
70.89 Frank v.d. Dool AV'34, Roermond 23-10-99
67.98 Peter van Noort De Spartaan, Gron. 17-07-88
62.48 Vincent Onos SAV, Amsterdam 30-06-07
60.24 Erik de Bruin V&L/TC, Utrecht 20-09-87
60.06 Swen Linden Achilles-Top, Uden 23-05-04
59.90 Chris Hoede TION, Hengelo 09-07-89
59.35 Jan Romani V&L, Brussel 29-08-64
59.33 Rutger Smith Argo '77, Gron. 30-03-02
59.16 Luigi Bellu Unitas, Kerkrade 02-06-91
 

Chris Berger

de snelste man tussen de Olympische Spelen van 1932 en 1936

Wat zou Chris Berger hebben gedaan als hij nu twintiger was? Zou hij topvoetballer bij Ajax zijn? Zo’n vleugelspits als Marc Overmars, supersnel in de ruimte, door niemand bij te benen? Maar Berger leefde 70 jaar geleden in een tijd toen er in het voetbal niet zo veel geld omging. Hij begon wel als voetballer, maar stapte uiteindelijk over naar atletiek, waar voor hem meer eer te behalen viel.

Chris Berger was daarin zeker niet uniek. Zijn latere rivaal Tinus Osendarp combineerde ook voetbal met atletiek. Osendarp voetbalde volgens de KNAU veel te lang door. In 1933 werd Osendarp op het Nederlands Kampioenschap derde op de 100m met 10.7 sec. achter de winnaar Berger (10.5 sec.). Toen voetbalde Osendarp nog! Het jaar erna mocht hij samen met Chris Berger naar Turijn naar de Europese Kampioenschappen. Tenminste: alleen als hij zijn voetbal opgaf mocht hij mee van de KNAU. Osendarp stopte toen met voetbal.

Chris Berger was al eerder opgehouden met voetbal. Maar hij is door de voetballerij dichter bij de atletiek gekomen. DWS, waar Berger voetbalde, zette haar leden in de zomer van 1928 aan tot atletiekbeoefening om hun snelheid in het komende seizoen te vergroten. Onder leiding van coach Piet Spaarwater van AAC, die diverse Nederlandse records en kampioenschappen in de springnummers op zijn naam had staan, gingen ze aan de slag. Hij merkte dat één van de DWS-junioren er ettelijke volwassen voetballers royaal uitliep. Spaarwater nam de junior speciaal onder handen, verbeterde zijn looptechniek en bracht hem de kneepjes van de start en finish bij.

Aan het einde van het seizoen kreeg Berger de kans zijn kunnen te tonen bij de jaarlijkse atletiekwedstrijden voor Amsterdamse voetballers. Chris won al direct de eerste prijs op de 100 m, tot grote voldoening van zijn ontdekker Spaarwater en niet minder tot voldoening van Berger zelf: zijn eerzucht werd enorm geprikkeld door dat eerste succesje.

 

 

De vooruitgang

Het jaar erna, 1929, werd het eerste serieuze atletiekjaar voor Chris, met een heus internationaal debuut. De KNAU koos hem uit om deel uit te maken van de Nederlandse ploeg in de interland tegen Duitsland. Hij bleef met 11.2 sec. op de 100 m achter de Duitser Borchmeijer, die hij vijf jaar later op het Europees Kampioenschap in Turijn weer betwistte. Ook in Nederland was Berger niet de snelste: tijdens de Nederlandse Kampioenschappen werd hij zowel op de 100 m als op de 200 m tweede, achter Rinus van den Berge. Maar de eerzuchtige Berger nam zich wel voor om in de aankomende winter de voetballerij eraan te geven en de wintertraining van Haarlem bij Kraantje Lek te gaan volgen. Als lid van Haarlem werd hij onder leiding van Hil van der Meij opgefokt tot Nederlands beste sprinter.

In 1930 moest blijken of Chris ook vooruitgang had geboekt. Medio juni werd een prestatie van internationaal kaliber neergezet: de achttienjarige Amsterdamse MTS-er liep bij wedstrijden op een Amsterdamse sintelbaan de 200 m in 21.1 seconden! Hij haalde niet minder dan 0,9 sec. af van het nationaal record. Deze tijd was zelfs 0,7 sec. beter dan de 21,8 sec. waarin twee jaar tevoren de Canadees Williams de finale van de Olympische Spelen had gewonnen. Toen Berger met vier meter voorsprong op zijn clubgenoten uit Haarlem, Van den Berge en Benz, door de finish was gestormd, begreep iedere insider dat het heel hard was gegaan. Maar zou Van den Berge’s record van 22 sec. gebroken zijn? De tijdwaarnemers bestudeerden hun chronometers en keken verbaasd. "21.1 sec." zei de een. "Dat kan niet, dat is veel te snel om waar te zijn."
"Maar ik heb ook 21.1 sec.", viel tijdwaarnemer twee hem bij.
"Het is haast niet te geloven", kwam de derde, "maar diezelfde tijd heb ik ook." En ze bestudeerden alle drie nog eens hun chronometers als overtuigend bewijs.
"Hoeveel heb ik gemaakt?" vroeg Berger ons, nog hijgend van de race. "Er zijn er, die 21.1 sec. hebben opgenomen", antwoordden we vaag, "maar verheug je niet te gauw, er kan nog best wat bijkomen."
Maar er kwam niets bij, de tijd werd officieel op 21.1 sec. vastgesteld. Zó goed was deze tijd, dat Berger’s record pas 35 jaar later in 1965 door Rob Heemskerk werd verbeterd naar 20,8 sec. Zelf heeft Berger die prestatie nooit meer kunnen evenaren, alleen Osendarp heeft in 1936 tweemaal dezelfde tijd kunnen maken. En ook Frans Luitjes liep in 1964 twee keer dezelfde tijd.

 

 

Olympische Spelen in Los Angeles

In 1930 was Berger doorgebroken. Op de Nederlandse Kampioenschappen won hij de dubbel. Tijdens de jaarlijkse wedstrijd om de Prins Hendrik-beker liep hij een nieuw Nederlands record op de 100 m: 10.5 sec. op een grasbaan.

Ook internationaal liet Berger zich dat jaar gelden. Tijdens de wedstrijden van de Amateur Athletic Association won hij de 100 yards in 9,9 sec.: hij was daarmee de eerste Nederlander die op de Engelse kampioenschappen een loopnummer won. (Op de 200 yards eindigde hij achter Engelhard.)

Hij bleef dat seizoen ongeslagen op de 100 meter - ook internationaal - en algemeen was men het er over eens dat alleen de Duitser Hellmuth Körnig, die hij niet ontmoet had, gelijkwaardig aan hem mocht heten.

In 1930 was Berger doorgebroken. Op de Nederlandse Kampioenschappen won hij de dubbel. Tijdens de jaarlijkse wedstrijd om de Prins Hendrik-beker liep hij een nieuw Nederlands record op de 100 m: 10.5 sec. op een grasbaan. De op 27 april 1911 geboren Chris Berger had een bliksemcarrière doorgemaakt. De jeugdige voetballer die in een tijd van twee jaar de snelste sprinter van het land was geworden!

Het is moeilijk voor een atleet om in topvorm te komen, maar het is nog veel moeilijker om in topvorm te blijven. Na het glorieuze jaar 1930 kwamen voor Berger de teleurstellingen. Iedere topsporter kent tegenslagen. 1931 was voor hem een anti-climax. Het jaar 1932 begon hij puik door in het Amsterdamse Olympisch Stadion de Duitse toppers Jonath en Körnig in 10,5 te kloppen. Vol vertrouwen vertrok hij naar de Olympische Spelen in Los Angeles. Maar de Spelen werden een teleurstelling voor de hele Nederlandse afvaardiging. De ploeg kwam niet verder dan twee vierde en een vijfde plaats, terwijl er nog nooit zo’n sterke ploeg atleten was afgevaardigd: drie wereldrecordhouders (waaronder de legendarische Tollien Schuurman) en een Europese recordhouder. Berger werd in beide sprintnummers al voor de halve finale uitgeschakeld.

Waarom presteerden Chris Berger en de rest van de ploeg zo slecht in Los Angeles? De reis begon op 2 juli per boot van Rotterdam naar New York. Deze boottocht duurde tien dagen. Ondanks het feit dat de atleten op het dek van de Statendam trainden, had dit weinig om het lijf. Bijna iedereen had last van zeeziekte. In New York aangekomen moesten ze per trein 4500 kilometer naar Los Angeles reizen. Dit nam een week in beslag! Waarschijnlijk waren deze vermoeienissen en het gebrek aan training een slechte voorbereiding voor de wedstrijden.

Het seizoen van Berger in 1932 was vrijwel verloren door deze trip. Want na een verblijf van een maand (!) in Los Angeles ging de reis terug langs dezelfde vermoeiende route. Alleen verliep deze terugreis met het schip de 'Rotterdam' over zee anders dan verwacht. Een staking brak uit onder de bemanning en de atleten kwamen pas op 4 september terug. Totaal was Berger meer dan twee maanden van huis geweest!

Berger verslaat de Amerikaan Peacock

 

Het wereldrecord

In 1933 verving Berger het shirt van Haarlem door de rode broek en het witte shirt met het driehoeksembleem van AV’23. In dat jaar was hij goed op dreef. Hij werd Engels kampioen op de 220 yards en bij de atletiekwedstrijden in het Olympisch Stadion liet hij de Duitse concurrenten Borchmeyer en Jonath in 10,4 sec. achter zich. Het waren hoopvolle voortekenen voor 1934, maar dat seizoen begon hij slecht door in Londen te verliezen.

wereldrecord op sintelbaan Olympiaplein

Maar opnieuw sloeg hij toe op de baan van het Olympiaplein met een wereldrecord: 10,3 sec. op de sintelbaan! Dit record staat (en dat is niet vreemd!) nog steeds als clubrecord bij AV’23. Dat maakte hem favoriet voor de EK van Turijn.

Die favorietenrol maakte hij waar. En hoe! Met gemak kwam hij door de voorronden. In de eindstrijd kwam hij te staan naast Osendarp, de Duitsers Borchmeyer en Hornberger, de Hongaar Sir en de Zwitser Hänni. Sir veroorzaakte tweemaal een valse start.

Bij de derde start schoot Berger direct naar voren en veroverde een voorsprong van driekwart meter. Zijn gevaarlijkste concurrent leek Sir, die hem in Londen al had geklopt en in de halve finale onder anderen Borchmeyer achter zich had gelaten. Maar het was Borchmeyer die in de tweede helft zo verwoed kwam opzetten dat Berger’s voorsprong voor driekwart werd ingelopen. Aan de finish had Chris nog een paar decimeter voorsprong en werd hij door iedereen gefeliciteerd. Fotografen liepen op hem toe, maar Berger weerde ze af, omdat hij zekerheid wilde hebben over zijn zege.

De jury liet Berger lang in onzekerheid. Totdat de uitslag kwam: 1. Borchmeyer in 10,6 sec.; 2. Berger in 10,7 sec. Verbazing volgde: gejoel, gefluit, gebrul door het Italiaanse publiek, "Berger, Berger!" Eén man speelde op dat moment een belangrijke rol: Adriaan Paulen.

 

"Hij was als assistent-teamleider op de motorfiets naar Turijn gereisd en onopvallend aanwezig - totdat de uitslag van deze finale bekend werd. Paulen pakte het leiders-insigne van chef d’équipe Hil van der Mey, klom over het twee meter hoge, door Carabinieri bewaakte hek, scheurde daarbij zijn broek en stevende luid roepend en gebarend op de finish af om een officieel protest in te dienen. Paulen was niet te stoppen. Hij bleef ageren. De Italiaan was gevoelig voor temperament en theater. Eerst kwam één, daarna twee en vervolgens nog meer Italianen in de ban van de boze Paulen. Het Italiaanse publiek begon te sissen en te fluiten en "Berger, Berger!" te scanderen. Uit filmbeelden bleek het gelijk van Paulen. Berger had hierop wel een etmaal moeten wachten, doordat de film in Milaan moest worden ontwikkeld." (uit: "130 jaar atletiek in Nederland")

 

Berger had in Turijn een dubbelslag, want hij won ook de 200 meter.

 

 

Racefiets

Aangezien Berger pas 23 jaar was, waren de verwachtingen voor de Olympische Spelen twee jaar later hooggespannen. Zijn atletiekloopbaan werd echter onderbroken door een kortstondig wieleravontuur: Europa’s snelste sprinter wilde zien of hij op de racefiets hetzelfde zou kunnen bereiken als op de sintelbaan. Enkele maanden na zijn zege in Turijn ging hij in wielertraining. Hij ging er vanuit dat hij - als wielersuccessen uit zouden blijven - altijd weer zou kunnen terugkeren naar de atletiek. Maar na in de winter en het voorjaar van 1935 op de fiets te hebben gezeten, keerde hij in de zomer weer terug op de atletiekbaan. In juni bleek dat de vijf jaar jongere Osendarp hem echter overvleugeld had. En in 1935 was AV’23-lid Wil van Beveren hem ook boven het hoofd gegroeid, zodat Berger in 1936 als Nederlands derde sprinter werd afgevaardigd naar de discutabele Olympische Spelen in Berlijn. Een aantal Nederlandse atleten, waaronder de legendarische sprintster Tollien Schuurman, ging niet vanwege de Nazi-praktijken, terwijl de KNAU uitging van een zekere integriteit van de Duitsers. Chris Berger speelde een bijrol in Berlijn. De finale bereikte hij niet op de individuele nummers. Hij nam deel aan de 4x100m estafette-ploeg die in de finale gediskwalificeerd werd.

In de volgende seizoenen bleef hij nog geregeld aan wedstrijden deelnemen, zonder zijn vroegere vorm te kunnen bereiken. Het is natuurlijk de vraag waarom de in 1936 naar atletiekvereniging AAC overgestapte Berger dat niveau nooit meer heeft kunnen halen. Feit is dat het slechts om tienden van seconden ging. In de bezettingsjaren liep hij nog steeds 10,5 sec. over 100 meter! Maar het was net te weinig voor de aansluiting bij de internationale top.

Algemeen wordt aangenomen dat zijn (korte) uitstapje naar het wielrennen hem net die tiende seconde in latere jaren heeft gekost. Niet vergeten moet worden dat Nederland in de dertiger jaren met sprinters als Osendarp, Van Beveren en natuurlijk Berger aan de top stond.

Berger deelde zijn wereldrecord, de 10,3 uit 1934, samen met zes andere sprinters. Het hield stand tot Jesse Owens in 1936 tot 10,2 kwam. Maar het AV’23-clubrecord van Berger, is als Nederlands record een eeuwig leven beschoren. Want vanaf 1977 kwamen voor Nederlandse sprintrecords uitsluitend elektronisch opgenomen tijden in aanmerking. De handgeklokte 10,3 zal daarom nooit meer worden verbeterd.

In 1943 hield Chris Berger het voor gezien en stopte met atletiek. Twee jaar daarna werd hij hoofdopzichter van het Olympisch Stadion. Zijn dochter Ellis introduceerde hij in 1956 als lady speaker van het stadion. Voor Ellis bleek dat het begin van een succesvolle carrière in de Hilversumse radio- en tv-wereld.

 

Bronnen:

  • 1870-2000, 130 jaar atletiek in Nederland, Aad Heere en Bart Klappenburg
  • Op uw plaatsen... Klaar... Af!!, de geschiedenis der Nederlandse athletiek gedurende 70 jaar, M.J. Adriani Engels
  • Driekwart Eeuw Sintels, kroniek van een Amsterdamse Atletiekvereniging, Jan C.T. Ludeker
  • Osendarp, Adriaan Venema
 


Pagina 3 van 3