Jaap Bosschaart kreeg lidmaatschap van AV ’23 cadeau voor zijn afstuderen

door Dirk Visser

Ter gelegenheid van het 90-jarig jubileum maakte oud-bestuurslid Dirk Visser, jarenlang journalist bij het ANP, 19+23 interviews van AV ’23-ers: huidige toppers, aanstormend talent, toppers van toen, trainers, (oud-)bestuursleden; een niet geheel willekeurige selectie uit de meer dan 600 leden en oud-leden.

Jaap Bosschaart vangt dochter Thekla op na haar eerste 800 meter bij de senioren (foto: Yvonne Hazeveld)
Jaap Bosschaart vangt dochter Thekla op na haar eerste 800 meter bij de senioren

“Hoe ik bij AV ’23 terecht kwam? Van mijn vrouw Yvonne kreeg ik het het lidmaatschap cadeau toen ik voor de tweede keer afstudeerde. Dat was in de zomer van 1991. Ik was toen 38 en werkte bij het Onderwijsadviesbureau van de VU. Yvonne en ik hadden elkaar in de jaren ’70 leren kennen als vrijwilliger bij de zomerkampen voor Amsterdamse bleekneusjes in de Kennemerduinen. We waren heel sociaal bevlogen in die tijd – nog steeds trouwens. Vrijwilligerswerk was mij met de paplepel ingegoten. Mijn ouders waren bijvoorbeeld heel actief in de padvinderij. Die overtuiging is later voor mij een belangrijke motivatie voor het voorzitterschap geweest.”

Aan het woord is Jaap Bosschaart, die van 1994 tot 2000 een van de langstzittende voorzitters van AV ’23 zou worden. “Dat was een heel moeilijke periode voor de vereniging. We waren zo ongeveer op sterven na dood. De oude 300-meter baan, de zich voortslepende onderhandelingen met Gemeente en Stadsdeel over een nieuwe baan — soms was het trekken aan een dood paard –, en mede hierdoor een teruglopend ledental en een slinkende clubkas.

Ik heb heel veel tijd gestoken in het doorbreken van de vicieuze cirkel en het normaliseren van de stroeve relatie met de overheid. Dat deed ik overigens niet in mijn eentje hoor. Voor het hele bestuur, net als voor veel andere clubleden, stond het streven naar een nieuwe baan bovenaan de agenda. AV ’23 wachtte al 35 jaar op een nieuwe baan. Zolang wij geen fatsoenlijke atletiekbaan hadden, konden we geen leuke wedstrijden en geen grote toernooien organiseren. Veel leden haakten af en steeds minder mensen werden lid, want zo’n gammel gravelbaantje is nu eenmaal absoluut niet sexy.

Op een gegeven moment kregen we het tij mee. Waarom toen, dat weet ik eigenlijk niet meer. Het Stadsdeel zag blijkbaar opeens het nut van een eigen atletiekbaan in Oost wel in en begon zich voor ons in te zetten bij de Centrale Stad. Het duurde nog tot 2000 voordat de Nieuwe Chris Berger-baan werd geopend. Ik vond het daarna welletjes. Je zou kunnen zeggen dat mijn missie was voltooid. Ik was blij met Kees Elsinga die met veel enthousiasme de voorzittershamer overnam.

Ik werk sinds 1997 voor IBM, eerst als interne educatie-adviseur, later als projectmanager gespecialiseerd in outsourcingstrajecten. Vanaf 2003 kwam ik voor mijn werk regelmatig in China. In 2007 heb ik een jaar onbetaald verlof genomen om in Xi’an Engels te doceren aan een van de universiteiten. Xi’an is een middelgrote stad met ongeveer 7 miljoen inwoners, eeuwenlang de stad van de keizers voordat Beijing de hoofdstad werd. Xi’an is ook het begin van de Zijderoute naar het Westen. Mooi werk hoor. Op dit moment houd ik me voor 50 procent bezig met personeelsmanagement en voor de andere 50 procent zit ik in de Ondernemingsraad van IBM. Kennelijk trekt toch iedere keer weer dat bestuurlijke…

Ik ben altijd behoorlijk sportief geweest, maar nooit veel in verenigingsverband. Op de lagere school was ik wel goed in hardloopwedstrijdjes. Na de verhuizing van mijn ouders naar Uithoorn heb ik een paar jaar geroeid bij Michiel de Ruiter. Dat vond ik wel leuk, maar ik had niet echt de bouw van een roeier: veel te tenger. Na de zondagse conditietraining holden we altijd langs de Amstel terug naar de roeiloods. Ik kon makkelijk met de snelsten mee. Toen merkte ik dat ik best goed kon hardlopen, maar daar heb ik eerst niet veel mee gedaan.

Wel heb ik altijd veel geschaatst. Ik heb jarenlang schaatsles gegeven aan kinderen en volwassenen bij de schaatsclub Jaap Eden. Mijn eigen kinderen zijn allemaal bij mij op les geweest. Dan stond ons hele gezin op zaterdagmiddag op de schaatsbaan, met na afloop warme chocolademelk bij de Scheve Schaats….

Rond mijn vijfendertigste begon ik regelmatig te hardlopen – beginnende midlife? Zonder dat ik onder enige leiding had getraind, deed ik mee aan de halve marathon van Amsterdam. Ik liep op het eind als een vaatdoek – veel te snel van start gegaan. Het cadeau van Yvonne kwam dus heel goed uit. AV ’23 beviel me prima. Gezellige, ongedwongen sfeer. Ik werd door Rietje Dijkman meteen ingelijfd in het veteranenteam en heb aan veel onderdelen van de competitie meegedaan.

De 800 meter was mijn sterkste afstand, d.w.z. daar haalde ik de meeste punten. Ik heb ver gesprongen, maar hoog kon ik niet. Daar was ik veel te klein voor. Kogel en speer waren ook niet echt mijn ding. En de hinkstapsprong was me veel te ingewikkeld, om van polsstokhoog maar te zwijgen. Wel deed ik mee aan de Zweedse estafette (400, 300, 200, 100 m), waarbij ik meestal de eerste loper was. Ook heb ik (met onder anderen Kees Elsinga) een clubrecord gelopen op het onderdeel Ekiden (5 km, 10 km, 5 km, 10 km, 5 km en 7.2 km; in totaal 42.2 km). Dat record staat overigens nog steeds. Waarschijnlijk een incourant nummer… haha. Verder heb ik vijfmaal de marathon gelopen en natuurlijk een heleboel kortere prestatielopen.

Wat ik erg leuk vind, is dat onze kinderen ook allemaal op atletiek hebben gezeten. Alle drie hebben ze een tijdlang redelijk fanatiek gesport. Daphne, de oudste, was dol op schaatsen. Thekla, de middelste, hield van zwemmen en was succesvol in de hardloopcompetitie. In 1999 kreeg zij de Meisjes Junioren Prestatie Beker. Rogier, onze jongste, staat nog op de foto bij het interview met Theo Danes.

In de tijd dat mijn kinderen zelf trainden, werd ik steeds meer betrokken bij het wel en wee van de trainingen. Ik heb bewondering voor de jeugdtrainers. Het is zo enorm belangrijk hoe groepen worden begeleid. Ik deel de droom van Joost Cosman dat AV ’23 de vereniging met de meeste jeugdleden moet worden. In mijn voorzitterstijd poneerde ik vaak de stelling: als je geen jeugd hebt, ben je als club ten dode opgeschreven.

Een vereniging moet proberen alle leden, maar ook de ouders van jeugdleden, zoveel mogelijk te betrekken bij het wel en wee van de club, en hen niet alleen maar te laten ‘consumeren’ of de jeugdtraining als kinder-bewaarplaats te beschouwen. In de tijd dat de kinderen trainden en we toch maar in de kantine zaten te wachten, gaf ik de ouders gratis conditietraining. Ik had immers al ervaring als schaatstrainer. Ik zag dat aanbod als een middel om met ouders in contact te komen en hen te interesseren voor de sport en het reilen en zeilen van de club.

Die conditietraining werd een succes. Veel ouders zijn zelf lid geworden en aan een eigen atletiekcarrière begonnen. Andere ouders zijn training gaan geven of jurylid, kantinevrijwilliger of bestuurder geworden. Ze gaven ieder op eigen manier dus iets terug aan de vereniging. Daar heb ik mij als voorzitter steeds hard voor proberen te maken.

Bij slecht weer op de oude baan was het nogal eens ploeteren. Ik heb nog shirtjes waar het gravel niet meer uit te wassen is. Maar de feesten die we in het oude clubhuis hebben gehad, die krijgen we nooit terug. Alles kon ook. De baan was ‘in the middle of nowhere’. Geluidsoverlast was er niet. En het clubhuis was zo oud dat er niets kapot kon gaan. Het waren wilde tijden bij AV ’23. We hebben daar regelmatig tot diep in de nacht doorgepimpeld.

Mijn dochter Daphne kon er trouwens ook wat van. Zij heeft een paar maal met haar vriendinnen een spetterend jeugdfeest georganiseerd om geld op te halen voor de club. Dat was een party waar zelfs Radio 538 melding van maakte, met huisdealer en al, hoorde ik (gelukkig) achteraf. Tamelijk compromitterend als je vader voorzitter van de club is, hahaha… Maar het was wel een daverend succes; dat moet gezegd worden.”

(foto: Yvonne Hazeveld)